Info Keramiek
De cursus wordt opgebouwd rond drie belangrijke vragen :
- Wat wenst de cursist te maken? Binnen bepaalde opgaven en thema’s gaat de cursist naar eigen creatieve oplossingen zoeken. Heel belangrijk hierbij is het ontwerpen en schetsen.
- Hoe gaat de cursist dat realiseren? In dit luik staan de diverse boetseer- en decoratietechnieken centraal. Zodra de cursist die onder de knie heeft, kan hij voor elk werkstuk zelf bepalen op welke manier hij het gaat uitvoeren.
- Waarom kiest de cursist dat bepaalde ontwerp? Hier staat het belang van de reflectie over het inhoudelijke centraal. Tentoonstellingsbezoek, kijken in kunstboeken, contact met andere keramisten en nadenken over de eigen motivatie zijn allemaal manieren die stimuleren om tot een zeer eigen stijl, aanpak en zingeving te komen.
Jaar 1
Elk academiejaar krijgt de cursist een vijftal opdrachten die hem gaandeweg laten kennnis maken met de belangrijkste boetseer- en decoratiemethodes. Na de voorstelling van de opgave, gaat de cursist zelf aan de slag. Hij maakt eerst ontwerpen, maquettes, technische oefeningen en kleurstalen. De resultaten worden besproken en dan is er ruim tijd om het gekozen ontwerp uit te voeren.
Jaar 2
De boetseertechnieken van het eerste jaar komen terug aan bod maar dan met een hogere moeilijkheidsgraad. De cursist leert nieuwe decoratiemogelijkheden en gaat ook zelf glazuren samenstellen.
Jaar 3
De opgaven zijn nu veel algemener omschreven en bieden ruime mogelijkheden tot een meer persoonlijke en creatieve aanpak. Juist dit zoeken naar een individuele invulling wordt dit jaar erg belangrijk.
Jaar 4
De cursist stelt nu in samenspraak met de docent zijn eigen programma samen, afgestemd op de werkmethodes die zijn voorkeur genieten. Hij kiest voor onderwerpen waarin hij een groot stuk eigenheid kwijt kan. Hij kan zich verder verdiepen in bepaalde technieken en zich stilaan voorbereiden op een eindejaarsproject.
Jaar 5
Met de kennis en vaardigheden die de cursist de voorbije jaren opbouwde, gaat hij een eindproject uitwerken. Er wordt nu een grote mate van zelfstandig werken verwacht. De resultaten moeten een persoonlijke beeldtaal uitdrukken, getuigen van een gedegen technisch kunnen en een verantwoord kleurgebruik. Ook de presentatie van de werken is nu zeer belangrijk en vergt de nodige aandacht.
Aan het einde van jaar 4 en 5 wordt het werk voorgelegd aan een jury, samengesteld uit 2 kunstenaars van buiten de academie en de vakdocent(en) van het IKO. Indien geslaagd ontvangt de cursist een getuigschrift van de Vlaamse Gemeenschap.
